Ester (Grieks)

Hoofdstuk B

Ga naar hoofdstuk: Vertaling: 
Tip: klik op een versnummer om een vers als favoriet op te slaan (vereist login)

1 Hier volgt de tekst van de brief:

‘Artaxerxes, de grote koning, maakt de gouverneurs van alle honderdzevenentwintig provincies van India tot Ethiopië en de onder hen staande districtsbestuurders het volgende bekend.

2 Als vorst over vele volken en heerser over heel de bewoonde wereld, koesterde ik de wens om mijn onderdanen een in alle opzichten rimpelloos bestaan te bezorgen – ik betrachtte in mijn bestuur altijd de grootst mogelijke redelijkheid en welwillendheid, en werd niet hoogmoedig door heerszucht gedreven. Ik wilde beschaving brengen tot aan de verste grenzen van het koninkrijk, zodat men veilig zou kunnen reizen, en ik wilde de door eenieder verlangde vrede herstellen. 3 Toen ik mijn raadsheren de vraag voorlegde op welke wijze dit verwezenlijkt kon worden, heeft Haman, die bij ons uitmunt door zijn helder inzicht, die blijk heeft gegeven van niet aflatende toewijding en onwankelbare trouw en die de tweede plaats in het koninkrijk inneemt, 4 onze aandacht erop gevestigd dat zich onder alle stammen ter wereld een kwaadwillig volk gemengd heeft dat in zijn wetten afwijkt van elk ander volk en de koninklijke verordeningen bij voortduring negeert, waardoor afbreuk gedaan wordt aan het door ons zo onberispelijk gevoerde beleid.

5 Nadat wij aldus vastgesteld hebben dat alleen dit volk onafgebroken met allen in onmin leeft, zich aan vreemde wetten houdt, afkerig is van onze gebruiken en de zwaarste misdaden begaat, waardoor er in het koninkrijk geen stabiliteit wordt bereikt, 6 verordenen wij dat degenen die worden aangeduid in het bevelschrift van Haman, onze gevolmachtigde en onze tweede vader, radicaal en onverbiddelijk moeten worden uitgeroeid, vrouwen en kinderen inbegrepen, zonder dat ook maar iemand wordt ontzien, en wel nog in het huidige jaar, op de veertiende dag van de twaalfde maand, de maand adar. 7 Wanneer zij die zich in het verleden en in het heden kwaadwillig hebben betoond, op één dag met geweld het dodenrijk worden ingejaagd, zal ons dat voor de toekomst verzekeren van een stabiel bestuur dat voortaan in alle rust uitgeoefend kan worden. ’

«Vorig hoofdstuk|Volgend hoofdstuk»